Nummer 02-1


Wie wil met mij communiceren?

Leo J.M. Dekker

PDF-versie
Bij uitgeverij Boom verscheen in september 2001 het boek Digitaal Communiceren van Hans van Driel. Hij schreef het boek voor het hoger onderwijs en voor de mensen in het veld, mensen die actief met het internet en websites werken. Dr. Hans van Driel is universitair docent Media & Cultuur van de faculteit der Letteren aan de Universiteit van Tilburg. In Digitaal Communiceren geeft hij in heldere bewoordingen een boeiende aanzet over wat digitaal communiceren is en hoe daarmee om te gaan.
Dit artikel staat op het internet waarmee het tevens de status van digitale communicatie krijgt, zoals verderop zal blijken. Hiermee kom ik meteen in de problemen omdat ik van mening ben dat het internet zich niet of slecht leent voor de publicatie van lange teksten. In de pre-historie van het wereld wijde web bestonden webpagina's louter uit lappen tekst. Universiteiten vormden na de militairen de eerste groepen die gebruik van het internet maakten. Voor die academici die toch uitermate tekstueel zijn ingesteld, vormde die lappen tekst geen enkel probleem. Integendeel het internet verschafte hen een geweldige gelegenheid tot het delen en verspreiden van kennis.
Met de komst van HTML, oftewel de Hyper Text Markup Language, veranderde het tekstuele uiterlijk van de websites en daarmee ook de communicatie. HTML stelde bouwers van websites in staat om met visuele en zelfs ook auditieve vormen te werken. Beide vormen, zowel de tekstuele als de visueel/auditieve, zijn gedaantes van digitale communicatie in de definitie van Hans van Driel. Want wat is volgens hem digitale communicatie? Digitaal communiceren betekent communiceren van beeldscherm tot beeldscherm, eenvoudiger kan het niet. Hij noemt dan het internet en email als de belangrijkste uitingsvormen waarbij hij gemakshalve het chatten over het hoofd ziet. En juist het chatten, dat razend populair is onder de jeugd, brengt een totaal nieuwe vorm van communicatie teweeg en is een studie op zichzelf waard, maar dit terzijde.
De introductie van elk nieuw medium, zo constateert Van Driel, gaat altijd van bewondering via weerstand naar acceptatie. In zijn eerdere boek Internet & Communicatie (1999) introduceerde hij al het ARIA model, wat staat voor Amazement, Resistance, Imitation en Authenticity. De verbazing wat het internet betreft, hebben we wel achter de rug, maar de weerstand leeft nog steeds. In Digitaal Communiceren wordt Anton Zijderveld geciteerd die de komst van het internet zo'n beetje als de verwording van de menselijke intelligentie ziet. Maar met het internet is er vooral sprake van weerstand bij de klassieke media, en dan met name bij de dagbladen die terecht een economische bedreiging in het internet zien. Kijk maar naar de bioscoopladder in de landelijke dagbladen waarin aankondigingen van de films van bioscoopexploitant Pathè niet langer meer verschijnen omdat het publiek naar zeggen van Pathè die informatie liever op het internet zoekt. Dat scheelt werkelijk tonnen per dagblad op jaarbasis.
Volgens van Driel zitten we nu met de digitale media in de fase van de imitatie en de authenticiteit. Een mooi voorbeeld van imitatie valt terug te vinden bij de Filmkrant om maar even in de wereld van de cinematografie te blijven. De filmkrant plaatst eenvoudigweg de gehele gedrukte editie op het net, en zie daar, ze hebben een website. Het werkt echter anders. Uiteindelijk zoekt elk medium naar authenticiteit, zo ook de websites en de nieuwe media. Het boek Digitaal Communiceren helpt naar wegen daartoe te zoeken.
Van Driel constateert terecht een verschuiving van wat hij het broadcastmodel naar het netwerkmodel noemt. Het broadcastmodel staat dan voor de macht van de gevestigde media die van bovenaf bepalen welke dagbladen en tijdschriften de kijker en lezer voorgeschoteld krijgen. Bij het netwerkmodel spelen begrippen als pluriformiteit, decentralisatie en individualiteit een zeer grote rol. Dit netwerkmodel gaat op bij de digitale nieuwe media die zich laat kenmerken door twee karakteristieken, aldus Van Driel. De eerste karakteristiek is de multimedialiteit. Zelf heb ik dit altijd een moeilijk begrip gevonden maar Van Driel geeft hier een werkbare definitie van: "Pas wanneer verschillende media electronisch met elkaar verbonden zijn en dezelfde digitale code hebben - de nullen en de enen - gebruiken we de term multimedia". Interactiviteit noemt hij de tweede karakteristiek van de nieuwe media.
Om tot een analyse van digitale communicatie te komen begint Van Driel met de schets van een communicatiemodel waarbij hij een innovatie introduceert ten opzichte van bestaande modellen. Het klassieke communicatiemodel komt vanuit het geschreven woord. Je hebt een tekst, een auteur en een lezer. Het model ziet er dan als volgt uit: je hebt een zender - in deze de auteur -, de uiting - in dit geval een tekst -, en een ontvanger, oftewel de lezer. Van Driel introduceert dan de geïmpliceerde zender, oftewel het beeld dat de lezer van de auteur vormt. Daarnaast gaat hij ervan uit dat de auteur zich eveneens een beeld van de lezer vormt waarmee hij de geïmpliceerde ontvanger presenteert. Vervolgens onderscheidt hij een doel waarover men communiceert. Dit alles mondt uit in het volgende communicatiemodel.
Vertaal je dit model naar het internet, dan is de website de uiting, de organisatie achter die website de zender, voor de bezoeker de geïmpliceerde organisatie, en de doelgroep is de ontvanger, voor de organisatie de geïmpliceerde doelgroep.
Naast dit communicatiemodel is er meer nodig om het digitaal communiceren in kaart te brengen. Ook de digitale communicatie ontkomt niet aan de semiotiek, oftewel de leer van de tekens. Die semiotiek werd ontwikkeld door de Zwitserse taalwetenschapper De Saussure. De Amerikaan Charles Peirce (1839 - 1914), die ook wel als grondlegger van de semiotiek wordt beschouwd, maakte onderscheid in drie soorten tekens: iconen, indices en symbolen. Iconen zijn tekens die in zekere mate gelijkenis vertonen met het object waarnaar verwezen wordt. Een index is een teken dat indirect, maar onherkenbaar, naar zijn object verwijst. En symbolen staan in een arbitraire verhouding tot hun object, symbolen moeten altijd geleerd worden. In Digitaal Communiceren illustreert Van Driel het een en ander met verschillende voorbeelden. Persoonlijk worstel ik nog steeds met die begrippen omdat een en hetzelfde teken heel vaak tegelijkertijd iconisch, indexies en symbolies kan zijn.
Tot hier zet Van Driel een wetenschappelijke basis neer die moet leiden tot een analyse en tot uitspraken over digitale communicatie. De auteur slaagt er uitstekend in om deze ingewikkelde materie in zeer heldere bewoordingen en op uiterst overzichtelijke wijze weer te geven. Wel zit er een mindere kant aan omdat hij, zoals hij zelf in zijn voorwoord duidelijk te kennen geeft, op twee doelgroepen mikt. Enerzijds wil hij met het boek het hoger onderwijs bedienen, en anderzijds tracht hij de mensen uit het veld te bereiken, de professionals. Mensen die werkzaam zijn bij communicatiebureaus, voorlichting en marketing, maar ook de bouwers van websites die zich nauwelijks bezighouden met wat digitale communicatie nu werkelijk inhoudt. Ook in mijn opleiding tot internetspecialist van twee jaar geleden werd daar amper over gesproken. Naast die genoemde professionals kan ik me voorstellen dat ook ondernemers en/of organisaties die geen of weinig ervaring met de nieuwe media hebben behoefte hebben aan deze informatie. Zij moeten immers spreken met webmasters en -engineers zonder een juist instrumentarium in handen te hebben. Uiteindelijk komen ook die professionals wel aan hun trekken in vooral de laatste drie hoofdstukken van het boek, al moeten zij zich dan wel door het hele wetenschappelijke eerste gedeelte zien heen te worstelen.
Als professioneel geïnteresseerde begint het boek mij vanaf hoofdstuk vier uitermate te boeien, temeer daar ik meer geïnteresseerd ben als professional dan als wetenschapper en die eerste groep komt vanaf dit hoofdstuk veel meer aan hun trekken. Om te beginnen bespreekt Van Driel de eigenaardigheden die betrekking hebben op het communiceren via het internet. In de webcommunicatie staat volgens Van Driel de bezoeker centraal. Het woord bezoeker zegt het al. Voor de krant ben ik een lezer, voor de omroep een kijker, bij een website ben je een bezoeker, met andere woorden een belangstellende, een gast, een geïnteresseerde. Waarbij we dan op de belangrijkste eigenaardigheid van het internet komen. De relevante vraag voor elke organisatie moet luiden: "wie wil met mij communiceren?", aldus Van Driel. De bezoeker dient ten alle tijden centraal te staan.
In dit gedeelte stipt Van Driel nog een vijftal andere eigenaardigheden aan waaronder de goedkope en snelle distributiemogelijkheden welke het internet biedt. Ook roert hij de wijze van navigeren binnen een document, een website en het web aan. Dit hele gedeelte zou hij wat mij betreft veel dieper uit mogen werken. En dan met name het belang van een goeie navigatie en hoe dat te verwezelijken. Er zijn zoveel zogenaamd professionele websites waar je slechts op èèn manier uit kunt komen en wel door rigoreus de computer uit te zetten. Ook rept hij over zoekmachines en het belang van metatags - metatags zijn als het ware de trefwoorden waar zoekmachines naar speuren en waarmee een organisatie zichzelf kan presenteren. Die werking van zoekmachines verdient eveneens veel meer aandacht, temeer daar hier wereldwijd nog steeds grote verwarring over bestaat.
De laatste twee hoofdstukken boeiden mij het meest. In deze hoofdstukken reikt Van Driel gereedschap aan om tot een zo objectief mogelijke websiteanalyse te komen. In het laatste hoofdstuk presenteert hij een methode voor een gebruikersonderzoek die mijns inziens uitermate behulpzaam is om een efficiènte en effectieve website neer te zetten.
Bij die websiteanalyse komt dan wel het wetenschappelijke voorwerk goed van pas omdat ze uitgaat van het eerder besproken communicatiemodel. Om te beginnen geeft Van Driel een beschrijving van het proces van analyseren en interpreteren in zijn algemeenheid en spitst dat vervolgens toe op websites. Hij beoogt hiermee de kwaliteit van digitaal communiceren te verhogen. Onder kwaliteit verstaat hij de effectiviteit en de efficiëntie waarmee een bezoeker op een website zijn doel bereikt.
Het laatste hoofdstuk, Gebruikersonderzoek, vind ik werkelijk hoogst bijzonder, en dan met name de laatste bladzijde van dat hoofdstuk omdat hier het hele hoofdstuk uitmondt in een schema dat meer is dan een samenvatting van het hoofdstuk, maar de leidraad voor een gebruikersonderzoek vormt. In navolging van Renkema onderscheidt Van Driel drie criteria aan de hand waarvan een website kan worden getoetst: correspondentie, consistentie en correctheid, oftewel de drie C's. Met C1 duidt Van Driel op de correspondentie tussen het doel van de organisatie en de verwachtingen van de beoogde bezoeker, hier gaat het om de bezoeker. C2 duidt op consistentie binnen de website in verband met gemaakte keuzen, hier gaat het om de website. C3 ten slotte staat voor de correctheid in het toepassen van digitale conventies, hier staan de conventies centraal. Als voorbeeld van een conventie noemt Van Driel een muispijl die verandert in een handje, als deze op een onderstreepte tekst staat. Dan weet je dat daar een hyperlink onder ligt. Toch is die laatste C meteen de meest schimmige omdat er nog heel wat conventies neer gezet moeten worden in de digitale wereld. Ten slotte past hij die drie C's toe op vijf niveaus te weten: de inhoud, de opbouw, de presentatie, de formulering en de type website.
Na lezing van het boek begrijp je ook het belang van de "geïmpliceerde organisatie" en de "geïmpliceerde bezoeker". Bij een goede digitale communicatie komen die twee steeds dichter bij de werkelijke organisatie en de werkelijke bezoeker. Overigens geldt dit in principe voor alle communicatie waarbij de zender en de ontvanger, de geïmpliceerde organisatie en de geïmpliceerde doelgroep, zich niet in dezelfde ruimte en/of tijd bevinden. Van Driel wijst de zender, de organisatie, de beheerder achter de website er op dat zij een andere houding aan dienen te nemen betreffende het communiceren met hun doelgroep. Een andere belangrijke vraag: hoe bereik ik nou mijn doelgroep èn hoe bereikt die doelgroep mij, blijft onbeantwoord. In juist dat antwoord zijn natuurlijk al die miljoenen website-beheerders uitermate geïnteresseerd en waarschijnlijk is een eenduidig antwoord hieromtrent onmogelijk. Wel zijn er wellicht richtlijnen uit te zetten en algemene conventies die nog in kaart gebracht dienen te worden.
In zijn voorwoord beschouwt Van Driel het boek Digitaal Communiceren als versie 1.0. Hij verwijst hiermee naar softwarepakketten die ook altijd met getalsextenties door het leven gaan. Hij wil hier maar mee zeggen dat nog lang niet alles over digitaal communiceren is gezegd. Met Digitaal Communiceren heeft hij een uitstekende aanzet geleverd die op zich al zeer de moeite waard is en uit doet zien naar de verdere versies c.q. uitbreidingen en verdiepingen betreffende het digitaal communiceren.
Auteur: Hans van Driel
Titel:
Digitaal Communiceren
Uitgeverij: Boom
ISBN: 90 5352599 8
Prijs: euro 22,50