De parametrische vertelwijze
De stijl (camera, microfoon en montagetafel) geeft toegang
tot het sujet, waardoor de kijker in staat is de fabel van de film te construeren.
Afhankelijk van de dominantie van de fabelconstructie of het sujet kennen
we tot nu toe twee vertelwijzelen, elk met andere consequenties voor het
filmkijken. Bordwell is van mening dat ook een derde vertelwijze bestaat,
namelijk die waarin waarin de stijl haar eigen weg gaat. Iets voorzichtiger
formuleert hij het aldus (p. 275):
A film style may be organised and emphasized to a degree that makes
it at least equal in importance to syuzhet patterns.
Dat de stijl een eigen weg kan gaan in abstracte, niet-narratieve
films, daarover is iedereen het eens. Maar dezelfde patronen constateren
in narratieve films lijkt een hachelijke zaak te zijn. Bordwell is zich
hiervan bewust. Allereerst probeert hij aan te geven wat je eronder moet
verstaan door de hulp in te roepen van andere kunsten, zoals de dichtkunst
en de opera. Behalve dat hierin verhalen kunnen worden verteld, neemt de
stijl (ritme, rijm en muziek) haar eigen plaats in. Ten slotte vindt hij
steun bij N. Burch (1973) aan wie hij de term `parametrisch' ontleent,
die stelt dat:
Technical parameters are as functionally important to the film's
overall form as are narrative ones.
Dan stelt hij zich de vraag, wanneer stijl zijn eigen weg
gaat. Zijn antwoord hierop is exclusief: wanneer een kijker niet in staat
is de stijl te rechtvaardigen als noodzakelijk voor een realiteitsconceptie,
noch vanwege genre-eisen, noch als een compositorische noodzakelijk heid,
dan kan de stijl slechts `artistiek' worden verantwoord, als een op zichzelf
staand en in zichzelf gekeerd gegeven. Als voorbeeld geeft hij de grafische
montage bij de Japanse reggisseur Ozu, die geen narratologisch doel nastreeft,
maar - in zijn herhaling - doel op zichzelf is geworden. Een tweede voorbeeld
is Vivre sa vie (1962) van Jean-Luc Godard , waarin elk van de twaalf
episoden wordt gekenmerkt door een of meer varianten op de mogelijke relatie
tussen camera en wat wordt opgenomen.
Nu hebben kijkers en critici de neiging om in eerste instantie het gebruik
van bepaalde stijlmiddelen thematisch te interpreteren. Zo zou een bepaalde
camerahoek wijzen op macht (indien de camera naar beneden is gericht) en
op kleinheid in het andere geval. Dergelijke `kookboekrecepten' zijn statisch
en kunnen evengoed anders worden uitgelegd. Bordwell is er dan ook zeer
huiverig voor (p. 283):
If a film's stylistic devices achieve prominence, and if they are
organised according to more or less rigorous principles, independent of
syuzhet needs, then we need not motivate style by appealing to thematic
considerations.
Maar, kun je je afvragen, is een kijker wel in staat om deze
stijlprincipes waar te nemen en te herkennen? Bordwell ziet de kracht in
van dit bezwaar, en verdedigt zich aldus:
- Een parametrisch film is voldoende redundant. Voor hem
betekent dit dat slechts enkele stijlmiddelen de aandacht trekken.
- Hoewel stijl op zichzelf staat, wordt er niettemin een
verhaal verteld.
- Sommige stijlmiddelen lijken meer natuurlijk te zijn
dan andere, zoals de beeld/geluid- relatie en de onscreen-/offscreen-ruimte,
waardoor ze ook eenvoudig zijn waar te nemen en te herkennen.
Wat kunnen we nu zeggen van een film, waarvan de stijl
een interne coherentie vertoont volgens een eigen, intrinsieke norm? Bordwell
onderscheidt twee strategieën:
- De ascetic In deze strategie
beperkt de regisseur zijn keuze van de stijlmiddelen tot één
of twee. Een voorbeeld is La passion de Jeanne d'Arc van Dreyer
(1928), waarin de camera-afstand `dichtbij' ongeveer eenderde van alle
opnamen betreft.
- De replete In deze strategie
komt elk stijlmiddel tot zijn volle ontplooiing, omdat de auteur per middel
alle mogelijkheden uitbuit, en wel volgens een bepaalde systematiek. Bijvoorbeeld
door voor elke mogelijkheid te kiezen in een andere scène, of zijn
keuze metrisch te laten zijn zoals we dit in de poëzie kennen. Een
voorbeeld hiervan is de eerder genoemde film van Godard Vivre sa vie.
|