De artvertelwijze
Films volgens de klassieke vertelwijze vertellen een sujet
waarbij de nadruk niet zozeer ligt op het vertellen (de stijl) of op het
sujet, maar op de constructie van de fabel. In verband met de activiteit
van de filmkijker kun je zeggen, dat deze films er volledig op gericht
zijn de kijker zo eenduidig en intens mogelijk op de hoogte te brengen
van het sujetgebeuren, zodat de constructie van de fabel als het ware vanzelf
verloopt. Alles wat hiervoor niet van belang is, wordt weggesneden.
De tweede groep van films die Bordwell onderscheidt, legt de nadruk op
het sujet. Vooral in Amerika worden deze films weleens aangeduid als de
`Europese film' of de `auteurfilm'. Uiteindelijk koos Bordwell voor de
benaming `Artvertelwijze' - een even ongelukkige term overigens als de
andere. Om de essentie van deze Artvertelwijze te kunnen uiteenzetten,
moeten we ons in zeer globale zin bezighouden met het veranderende wereldbeeld
vanaf de 19e eeuw.
Een veranderend wereldbeeld
Vanaf de eeuwwisseling komt het `zekere' wereldbeeld op
losse schroeven te staan - zonder overigens te verdwijnen. In de natuurwetenschappen
zorgt Einstein voor een radicale omwenteling met zijn relativiteitstheorie
en in de menswetenschappen predikt Freud de revolutie met zijn eigenzinnige
visie op de mens. In tegenstelling tot de gangbare opvatting komt Freud
tot de conclusie dat het menselijk gedrag het resultaat is van de voortdurende
werking van het onbewuste en het Uber-Ich. Met deze dynamische visie op
de werkelijkheid, waarin toeval en irrationaliteit een even grote rol spelen
als causaliteit, wordt het aanvankelijke wereldbeeld aan het wankelen gebracht.
De mimetische kunstopvatting verliest terrein; het inzicht groeit dat er
juist een spanning bestaat tussen het kunstwerk en de realiteit (cfr. Proust,
Joyce, Woolf in de literatuur). Niettemin past deze opvatting nog binnen
het realistische concept. Het lijkt alsof de aandacht slechts is verschoven
van `buiten' naar `binnen', van `objectief' naar `subjectief'.
Ten slotte groeit als vanzelfsprekend uit deze gewijzigde opvatting ook
een verschuiving van het object, waarop men zich richt. Aanvankelijk stond
nog het `wat' centraal - de dynamische realiteit, weergegeven vanuit een
subjectiviteit -, maar allengs verschuift de aandacht naar het `hoe': het
proces van het creëren, van het vertellen zelf (cfr. de nouveau roman).
Welnu, films die als onderwerp de dynamiek van de realiteit behandelen,
waarin toeval bestaat naast causaliteit en waarbij de wijze van vertellen
zich meer opdringt dan wat wordt verteld, beschouwt Bordwell als behorende
tot de Artvertelwijze.
Van belang is nu om na te gaan welke consequenties de veranderde wereld-beschouwing
heeft voor sujet en stijl van de Artfilm, en hoe de activiteit van de filmkijker
(diens fabelconstructie) hieraan kan worden gekoppeld.
De kijker en de Artfilm
De vaste structuur waaraan het `klassieke' sujet beantwoordt,
is niet meer herkenbaar. Het gesloten wereldbeeld zonder toeval dat een
hecht geconstrueerd sujet oplevert bij de klassieke film, maakt plaats
voor een ambigu wereldbeeld - de onzekere mens in een onzekere wereld -,
dat een `toevallig' sujet oplevert zonder al teveel nadruk op causale verbanden.
De personages zijn dan ook niet meer `uit een stuk', niet meer prototypisch
uittekenbaar. Waar in de klassieke vertelwijze de actie van het personage
alle aandacht krijgt, richt de Artfilm zich veel meer op de re-actie van
het personage, op zijn/haar motieven om iets al dan niet te doen. Het `kleine'
verhaal van zo'n personage leidt dan ook zelden tot een gesloten einde,
waarbij de filmkijker bevredigd naar huis gaat, omdat alle vragen zijn
opgelost. De Artfilm draagt eerder vragen aan dan antwoorden.
Omdat in de klassieke film alles is gericht op het gemakkelijk kunnen construeren
van de fabel, zullen het sujet en de stijl zich niet opdringen. De sujetvolgorde
zal weinig verschillen van de fabelvolgorde, en meestal chronologisch zijn.
Bij de Artfilm schept de sujetvolgorde daarentegen verwarring; niet altijd
is even helder of we ons in het heden danwel het verleden bevinden. Hier
komt bij dat het vaak onduidelijk is, of we de `filmische wereld' zien
of de gedachtenwereld van een van de personages. De ambigue invulling van
de personages draagt hiertoe bij. Menen we in L'Annee
derniere a Marienbad (1962) van Alain Renais eindelijk een logische
relatie te zien tussen de kleding van de vrouw (wit/zwart) en het heden/verleden,
dan wordt deze logica prompt doorbroken en worden we gedwongen een nieuwe
hypothese op te stellen.
Duidelijk is dat de Artfilm aan de kijker geen houvast biedt. Aan het slot
van een klassieke film kennen we de `waarheid' omtrent de fabel met vrij
grote zekerheid. Formuleren we in het begin nog talrijke hypothesen, naarmate
een klassieke film vordert, vermindert de hoeveelheid hypothesen zienderogen
via onze deductieve en inductieve activiteiten, en groeit de waarschijnlijkheid
van een veronderstelling.
Bij de Artfilm blijft elke hypothese steken in de status van hypothese
en leidt zelden tot een sluitend inzicht.