Filmkijken: De narratieve elementen van de filmtekst
De eerste vraag luidt, welke narratieve elementen van
een filmtekst de niet-bewuste activiteiten bij de filmkijker activeren.
Bordwell beantwoordt deze vraag aldus (p. 53):
In the fiction film, narration is the process whereby the film's
suyzhet and style interact in the course of cueing and channeling the spectator's
construction of the fabula.
Bordwell noemt drie narratieve elementen: stijl, sujet en
fabel. Wat de laatste twee termen betreft, volgt hij hierin de Russische
Formalisten - een stroming in de literatuurwetenschap aan het begin van
de twintigste eeuw. Om deze elementen te kunnen uitleggen, nemen we als
voorbeeld twee fragmenten uit het boek Stijloefeningen van Raimond
Queneau (1978), waarin hij 99 variaties geeft op een `basisverhaal':
Notaties
In lijn 16, op het spitsuur. Een kerel van zowat zesentwintig, slappe
vilthoed met een koordje er omheen in plaats van een lint, nek te lang
alsof er aan getrokken was. De mensen stappen uit. De figuur in kwestie
valt uit tegen een passagier naast hem, die hij ervan beschuldigt tegen
hem op te botsen telkens als er iemand langs komt. Bedoelde bits te klinken
maar de toon is eerder huilerig. Ziet een zitplaats vrij komen en schiet
er op af. Twee uur later kom ik hem tegen op het Jan Willem Brouwersplein,
bij het Concertgebouw. Hij is in gezelschap van een kameraad die tegen
hem zegt: "Je zou een extra knoop aan je overjas moeten laten zetten".
Hij wijst aan waar (bij de uitsnijding) en waarom.
Achterstevoren
Je zou aan extra knoop aan je jas moeten zetten, zei z'n vriend hem.
Ik kwam hem midden op het Jan Willem Brouwersplein tegen, nadat ik hem
het laatst gezien had toen hij vol belustheid op een lege zitplaats afstormde.
Hij had net staan protesteren tegen het duwen van een andere paasagier
die, naar hij zei, telkens tegen hem op botste als er iemand uitstapte.
Dit broodmagere jongmens was de drager van een bespottelijke hoed. Een
en ander speelde zich af op het achterbalkon van een afgeladen lijn 16,
op het middaguur.
Deze teksten presenteren twee reeksen gebeurtenissen. De
reeks zoals die door de tekst wordt gepresenteerd, noemen we het sujet.
Een sujet is de reeks gebeurtenissen zoals die voor ons ligt (in
een boek) of zoals die geprojecteerd wordt (een film). De twee teksten
van Queneau hebben elk een verschillend sujet, dat vastligt in de gegeven
tekst.
Een verteller gebruikt stijlmiddelen om het sujet vorm
te geven. Bordwell heeft de wat ongelukkige term style gekozen,
waarmee hij niets `stilistisch' wil aangeven, maar slechts de middelen
benoemt, waarmee een verteller het sujet heeft verteld. Bij het verschijnsel
`film' kennen we de camera, de microfoon en de montagetafel als de stijlmiddelen.
Het eerste doel van een filmkijker is nu om via de stijl
en met behulp van het sujet het `verhaal' van de tekst te construeren.
Een dergelijk geconstrueerd verhaal (waarbij we de gebeurtenissen logisch
en chronologisch hebben gerangschikt, de personages hebben `ingevuld' evenals
hun aandeel aan de gebeurtenissen) noemen we de fabel. De fabel
bestaat dus niet binnen de tekst, maar vormt het betekeniseffect dat we
zelf construeren bij het zien van een film (of het lezen van een boek).
Omdat de mogelijkheden van ieder van ons verschillen -
onze ervaring is immers verschillend -, zullen de fabels die wij construeren
naar aanleiding van het zien van dezelfde film zelden identiek zijn; maar
omdat we ook deels een gemeenschappelijke ervaring bezitten, kunnen de
geconstrueerde fabels elkaar wel heel dicht benaderen.
Samenvattend. Het narratieve element `stijl' geeft de
filmkijker toegang tot het `sujet', waaruit hij/zij een fabel kan construeren.
Voordat we onderzoeken welke aspecten van de stijl en van het sujet een
rol spelen bij de constructie van de fabel, behandelen we eerst de activiteiten
bij een filmkijker die erdoor in gang worden gezet.